Warmoes Biënnale

Toen kunstenaar Narges haar werk voor de Warmoes Biennale presenteerde in het informatiecentrum van We Live Here, zagen bezoekers een minutieus opgebouwde miniatuurwereld van zilver. Kleine objecten — een bank, een kast, een fotolijstje, boeken — zorgvuldig vervaardigd uit zilver dat door bewoners en betrokkenen uit de buurt was ingeleverd. Wat tijdens de tentoonstelling zichtbaar werd als een verstild kunstwerk, bleek achteraf het resultaat van maanden van gesprekken, experimenten, twijfel, technische problemen en intensief handwerk.


Na afloop van de Biennale spraken we met Narges terwijl zij haar werk voorzichtig van de muur haalde. Het gesprek werd een openhartig inkijkje in haar creatieve proces, maar ook in de bijzondere manier waarop de Biennale en de buurt langzaam met elkaar verweven raakten.


Volgens Narges zat de kracht van de Biennale juist in die verbinding tussen kunst en plek. Ze liep zelf de volledige route langs alle locaties en merkte hoe iedere plek zijn eigen dynamiek had. Niet alleen bezoekers, maar ook medewerkers van restaurants, bars en andere locaties raakten betrokken bij het evenement. “Je voelde overal dat mensen wisten wat er gebeurde,” vertelt ze. “Zelfs als iemand verdwaald binnenkwam, wist men meteen: die komt voor de Biennale.”


Ook We Live Here werd voor haar meer dan alleen een tentoonstellingsruimte. Tijdens de maanden van de Biennale kwam ze er vaak terug, meestal samen met anderen. “Op een hele laagdrempelige manier leer je veel mensen uit de buurt kennen,” zegt ze. Precies dat, benadrukt ze, is volgens haar de kracht van het project geweest.


Het kunstwerk zelf ontstond niet vanuit een strak vooraf uitgewerkt plan. Integendeel. In eerste instantie wilde Narges inspiratie halen uit interieurs van bewoners, maar dat bleek praktisch ingewikkeld. Uiteindelijk kocht ze een miniatuur-poppenhuis op schaal 1:12 om verhoudingen en afmetingen te kunnen onderzoeken. Vanuit dat referentiekader begon het werk langzaam vorm te krijgen.


“Ik wist ongeveer dát ik iets wilde maken,” vertelt ze, “maar nog niet precies hoe het eruit zou zien.”


Voor ieder object keek ze naar het zilver dat iemand had ingebracht én naar de verhalen, opmerkingen en indrukken die mensen tijdens gesprekken, via apps of mails met haar deelden. Een klein zilveren ringetje van slechts anderhalve gram werd uiteindelijk een minuscuul fotolijstje. Vijf oude zilveren lepels veranderden in een ingewikkelde miniatuurkast.


Juist dat laatste bleek technisch bijna een nachtmerrie.


Tijdens het solderen ontdekte ze dat het zilver van de lepels anders reageerde dan standaard zilver. Warmte verspreidde zich anders door het materiaal, waardoor verbindingen telkens weer lossprongen. Sommige objecten moesten meerdere keren opnieuw worden gemaakt. Holle vormen, zoals de bank, waren volgens haar het moeilijkst: iedere keer dat het zilver opnieuw werd verwarmd, ontstond er druk door vocht en damp in het object, waardoor naden weer opensprongen.


Wat voor bezoekers oogde als een fragiel en poëtisch kunstwerk, bestond in werkelijkheid uit weken van geconcentreerd technisch werk. Drie weken lang werkte ze vrijwel onafgebroken: zeven dagen per week, vaak twaalf uur per dag.


“Je hebt dagen dat niets lukt,” zegt ze lachend. “Dan moet je gewoon stoppen.”


Toch hoort juist die frustratie volgens haar bij het creatieve proces. “Als alles meteen lukt, wordt het saai. Doordat dingen misgaan, begrijp je hoe iets werkt.”


Om het proces technisch mogelijk te maken, werkte ze samen met goudsmid Gideon Oosterhuis, die haar begeleidde wanneer ze vastliep. De afgelopen anderhalf jaar had ze al kleine projecten gedaan, maar dit werk bracht haar veel verder in het ambacht van zilverbewerking dan ooit tevoren.


Opvallend genoeg bleef een deel van het werk voor de deelnemers tot het einde geheim. Narges vertelde pas ná de opening welk object voor wie bedoeld was. Sommige bezoekers herkenden zichzelf direct in “hun” object. Andere verwijzingen werden pas later duidelijk.


Binnenkort krijgen de deelnemers hun objecten terug tijdens een gezamenlijk diner dat Narges wil organiseren in samenwerking met We Live Here. Voor ieder werk maakt ze nog een kleine houten presentatie, zodat de objecten als zelfstandige miniatuurkunstwerken kunnen worden meegenomen.


Hoewel het project inmiddels bijna een jaar loopt, voelt het voor haar nog steeds als iets dat langzaam doorwerkt. “Het ging nooit alleen om het kunstwerk,” zegt ze. “Er zit een hele wereld omheen.”


Sinds 2020 werkt Narges als kunstenaar. Eerder maakte ze grootschalige installaties van papier-maché, waaronder een project voor “Beelden aan Zee”. Inmiddels werkt ze alweer aan een nieuw meerjarig project in samenwerking met een glasstudio in Amsterdam-Noord. Dat werk onderzoekt cultureel erfgoed, verlies en collectief geheugen — opnieuw thema’s waarin tijd, geschiedenis en menselijke verbondenheid centraal staan.


Maar juist haar project bij We Live Here lijkt iets bijzonders zichtbaar te hebben gemaakt: hoe kunst niet alleen ontstaat in een atelier, maar ook in gesprekken, ontmoetingen, mislukte pogingen, gedeelde materialen en langzaam opgebouwde relaties binnen een buurt.


Of zoals Narges het zelf samenvat:


“Je wilt iets maken dat niet plat wordt. Iets waar mensen zichzelf in kunnen herkennen, zonder dat het letterlijk wordt.”